zaterdag 21 februari 2009

Een lucht

Ik had shoarma gegeten. Met een vleugje sambal.
En bier gedronken. Meer dan twee, maar geen drie.
Die scheet, die had ik dus niet moeten laten.
Maar je zit te lezen en glijdt in je comfort zone.
En dan vergeet je dat je helemaal niet thuis bent.
Je zit in de bus.
En dat die vol is, allicht.

De schade opnemend: slechts het gangpad scheidde mij en het meisje naast me.
Het zou te weinig kunnen zijn.
Gezien de verwekkers van de scheet zou hij in no time kunnen uitgroeien tot entiteit. En je voelde aan alles dat rekening gehouden moest worden met een categorie 3.

Even meende ik opgelucht adem te kunnen halen. Tot ik me realiseerde dat ik me midden in het oog bevond. Met een schijnbare willekeur draaide hij, als uit het niets, in mijn richting. Om mijn neusvleugels vol in de flank te raken.
Nu is het zo dat wat van uzelve is, niet stinkt.
Maar dat het een vuige was, allicht.

Ik liet de scheet even bezinken om een solide strategie te kunnen bepalen. Met enig geluk zou hij zich slechts aan zijn maker vastklampen. Als een bibberend, meurend koala-beertje.
Het duurde enkele seconden voor ik het door had, maar toen was het daar. Onmiskenbaar.
Een weeïge shaglucht.
Shag? Shag. Alweer.
Mijn scheet stonk naar een oudere man die zojuist had uitgeklokt voor de ploegendienst.
Ik begon me stilaan zorgen te maken.
Als deze lucht werkelijk uit mij kwam, dan was de enige hulp die mij nog restte de eerste hulp.

Alleen, wat vertel je bij binnenkomst?
Wat ook verontrustte: hij was niet wég te slaan. Een pelgrim die na vele omzwervingen had besloten hier en nu een nederzetting te stichten.

Toen stopte de bus.
Het meisje naast me stapte uit. Tot mijn opluchting maakte ze niet de indruk ergens onder gebukt te gaan.
De bus reed verder en hield halt bij het CS.
Ik stond op en wachtte bij het gangpad tot de stroom van medepassagiers door de trechter naar buiten schuifelde.
De lucht, die even daarvoor leek weg te ebben, zwelde nog een laatste keer aan.
Ik keek op en besefte dat ik oog in oog met de bron stond.
Naast het meisje had al die tijd een man gezeten. Ik had geen notie van hem genomen.
Hij was een oudere man. Met een baard en verf op zijn broek. Het is niet zeker dat hij in ploegendienst werkt. Maar hij was het die ik al die tijd had geroken...

De moraal? Ik kan geen scheten laten die naar shag ruiken.
De opluchting was groter dan de teleurstelling na die constatering.
Maar ik zal niet ontkennen dat het erom hing.

1 opmerking:

Franc zei

Never Ever trust a fart.